Een van de belangrijkste zaken waar je met het strandzeilen, rekening mee moet houden, is het strand. Er zijn een aantal factoren die het strand beïnvloeden: het getij, de stroming en de wind. Iedere dag zorgen deze factoren ervoor dat het strand verandert. Zeil daarom nooit op volle snelheid op een onbekend stuk strand.
Op een gegeven moment heb je veilige sporen gemaakt. Op die veilige sporen kan je proberen op volle snelheid te komen. Het getij. Het getij wordt opgewekt door de bewegingen van Zon, Maan en Aarde. De Maan veroorzaakt het ritme van eb en vloed dat iedere dag tweemaal optreedt. Hierbij schuift het tijdstip van hoog- en laagwater iedere dag 50 minuten vooruit. De Zon speelt ook een rol, maar die is kleiner dan die van de Maan. Tijdens springtij versterken Zon en Maan elkaar zodat het hoogwater extra hoog is en het laagwater extra laag. Zeven dagen later is het doodtij, waarbij Zon en Maan elkaar juist verzwakken. Aangezien de getijgolf er ongeveer twee dagen over doet om vanuit de Zuidelijke Atlantische Oceaan, waar deze ontstaat, naar de Noordzee te komen, valt springtij voor de Nederlandse kust ongeveer 2 dagen na Nieuwe Maan en ongeveer 2 dagen na Volle Maan.
Strandzeilen doe je in de regel op het laagwaterstrand. De tijd die je beschikbaar hebt om te zeilen, ligt tussen twee uur voor het tijdstip van laagwater en twee uur na het tijdstip van laagwater. Eén en ander is afhankelijk van plaatselijke condities. Door verschillen in bodem, kustlijn en andere factoren is het niet overal op hetzelfde tijdstip laagwater. Raadpleeg daarom de getijtabel voor het stuk strand waar je wilt gaan zeilen.
Het strand. Zoals het getij de breedte van het strand bepaalt, zo bepaalt de stroming, aangewakkerd of afgezwakt door de wind en golven, de vorm van het strand. Het strand kan je indelen in twee zones. Het natte strand en het droge strand. Het natte strand ligt tussen gemiddeld laagwater en gemiddeld hoog water. Het droge strand staat bij gemiddeld hoogwater niet meer onder water. Het strand waarop je kan strandzeilen, wordt begrensd door de hoogen laagwaterlijn met daartussen een aantal vlakke zandbanken. Deze vlakke banken hebben aan de landzijde meestal ondiepe zwinnen, die het zeewater, dat bij hoogwater over de banken spoelt, via de muien tussen de banken naar zee laten terugstromen bij laagwater. Door de verplaatsing die het zand ondergaat onder invloed van stroom en wind, verandert het strand. Bij een
aflandige wind wordt het strand opgebouwd. Bij aanlandige wind wordt het strand vlakker.
De muien en slenken. Via de muien stroomt het zeewater bij laagwater terug naar zee. Een mui wordt dieper naarmate er meer water uit het zwin naar zee vloeit. Gevaarlijke obstakels vormen de slenken, met soms rechte kanten van wel 30 centimeter of meer. Een slenk is een geul die dwars door een zandbank heen snijdt om het water van het strand af te voeren naar zee. Hier is voorzichtigheid geboden.
Hoe diep zijn muien? Bij aanlandige wind, dat wil zeggen bij wind uit zee, zijn de muien ondiep. Als de wind parallel met het strand waait, ontstaan diepe muien. Het water dat zich in het zwin bevindt, wordt naar een kant geblazen, op een bepaalde plaats breekt het water door de bank heen en stroomt naar zee of het volgende zwin. Waar moet je een mui of een slenk passeren? De aangewezen plaats om een slenk te passeren is zo dicht mogelijk bij zee. De slenk vormt hier een soort delta. In die delta wordt het water over een grote breedte verspreid. De snelheid van het water is hier lager, waardoor het zand zal bezinken. Hier zijn dus de minste hoogteverschillen. Een mui kan je het
beste aan de duinzijde passeren; je weet immers niet hoe diep de mui zal zijn aan de zeezijde.
De zwinnen. Zwinnen zijn niet overal even diep. Op sommige plaatsen kan er nauwelijks water staan, terwijl het even verderop 40 centimeter diep is. Door een diep zwin zeilen betekent een nat pak en een aanzienlijke snelheidsvermindering. Soms stopt je zeilwagen zelfs en in het ergste geval sla je om. Uit de kleur en de golfwerking van het water kan je afleiden of het diep is of niet. Is het water blauw, groen of donker van kleur, dan is het diep. Zie je kleine golfjes dicht op elkaar kabbelen, dan is het water over het algemeen ondiep. Hier kan je dus het beste oversteken. Maar let in alle gevallen goed op.
Putten. Soms komen op de plaats waar de vorige dagen een zwin was, putten voor die gevuld zijn met water. Deze putten moet je vermijden, ze zijn erg slecht voor je zeilwagen. De putten ontstaan op plaatsen waar het water zeer woelig is geweest. Putten komen voor wanneer de wind onder een hoek van 45 graden langs het strand waait uit oostelijke richtingen. De getijstroom doet dan draaikolken ontstaan.
Windribbels. Windribbels ontstaan bij aflandige wind, dat wil zeggen, de wind die van de duinen komt. Deze ribbels zijn onaangenaam om op te zeilen. De ribbels slaan als het ware de wind uit je zeil. Als je er met hoge snelheden overheen zeilt, dan kunnen de hevige trillingen die ontstaan, je gezichtsvermogen verminderen.
Zacht of hard zand. Bij aflandige wind ontstaan vaak hoge zandbanken waar achter diepe zwinnen aanwezig zijn. Op het hoogste gedeelte van de zandbank vind je dus vaak zacht zand. Dat is de plaats waar het minste water in het zand aanwezig is, het zand is ook lichter van kleur.

