De koers van een zeilwagen is een koers die je zou zeilen bij afwezigheid van andere zeilwagens. Bij die koers hoort een bepaalde rijrichting ten opzichte van de wind. Bij iedere koers hoort een juiste zeilstand. Door meer of minder aan je schoot te trekken kun je je zeilstand ten opzichte van je koers en de wind beïnvloeden. We onderscheiden een zestal koersen; in-de-windse koersen, aan-de-windse koersen, bij-de-windse koersen, halve-windse koersen, ruime-windse koersen en voor-de-windse koersen. Alle koersen kunnen zowel met het zeil over de linker- of de rechterkant van de zeilwagen gezeild worden.
In de wind. Bij deze koers staat de zeilwagen recht in de wind, we spreken
ook wel over de dode hoek. Het zeil klappert in de wind en de zeilwagen staat
stil. Als je de zeilwagen aanduwt, zal hij na een korte tijd weer stilstaan.
Aan de wind. Bij deze koers zeilt de zeilwagen ten opzichte van de windrichting onder een hoek van 45°. Als je op deze koers vertrekt, dan doe je dit met een redelijk aangehaald zeil. Op het moment dat je voelt dat je zeilwagen sneller gaat rijden, moet je de schoot aantrekken en het zeil verder aanhalen. Deze koers is iets scherper dan de bii-de-windse koers. Ga je scherper zeilen, dan zul je merken dat de zeilwagen langzamer gaat zeilen en uiteindelijk zal stilvallen. De aan-de-windse koers is de scherpste koers, tegen de wind in, die een zeilwagen kan rijden. Het hangt van het type zeilwagen af hoe klein de hoek is die aan de wind gezeild kan worden. Je kunt ook zeggen, hoe hoog je aan de wind zeilt. De koers aan de wind vormt de begrenzing van de dode hoek, waar zeilen onmogelijk is.
Bij de wind. De richting tussen aan de wind en halve wind noemt je bij de wind. De stand van het zeil is bij het vertrekken meer aangehaald dan bij halve wind. Als je het zeil te weinig aangehaald hebt, dan zal het klapperen, net alsof je in de wind staat.
Halve wind. Bij deze koers staat de zeilwagen onder een hoek van 90° ten opzichte van de windrichting. Op deze koers moet je vertrekken met een redelijk gevierd zeil. Naarmate je sneller gaat, moet je ook het zeil meer aanhalen.
Ruime wind. Deze koers is niet alleen de snelste koers voor een zeilwagen, maar ook de moeilijkste. Bij ruime wind zeilt de zeilwagen een koers die 135° is ten opzichte van de wind- richting. De grootste moeilijkheid bij deze koers is dat je eerst op gang moet komen. Dit kan op een paar manieren. Door je zeilwagen aan te duwen of door eerst naar een halve-windse koers te gaan en daarna af te vallen tot de ruime-windse koers. Belangrijk is dus dat je basissnelheid hebt. Basissnelheid is de snelheid die je moet hebben om te kunnen versnellen. Voor iedere zeilwagen is de basissnelheid anders. Heb je die niet, dan zul je hooguit de snelheid van de wind bereiken, maar heb je die
basissnelheid wel dan kun je die uitbouwen tot wel driemaal de windsnelheid.
Voor de wind. Bij deze wind zeilt de zeilwagen een koers ten opzichte van de wind van 180°. De wind komt dus van achter je. Het zeil is volledig gevierd. Je gaat even snel als de wind. Als je je zeil aanhaalt, zul je merken dat de zeilwagen niet sneller gaat.
Telltales. Om vooruit te komen met een zeilwagen is het dus van belang om de juiste zeilstand te hebben. Een hulpmiddel daarbij zijn de telltales. Telltales zijn draadjes of lintjes die aan weerszijden van het zeil bevestigd zijn. De telltales geven aan hoe de wind langs het zeil stroomt, Ze vertellen dus niet waar de wind vandaan komt.
Er zijn 4 mogelijkheden:
1. De goede stand. Wanneer beide draadjes horizontaal naar achteren wijzen, staat het zeil in de juiste stand ten opzichte van de koers die je zeilt.
2. Foute telltale standen. De telltale aan de zijde waar de wind van vandaan komt (loefzijde) staat horizontaal naar achteren. De telltale aan de zijde waar de wind naar toe waait (lijzijde), staat niet horizontaal, maar draait, wervelt of staat naar boven gericht. Dit is een teken dat je zeil te ver aangehaald is. Je hebt 2 mogelijkheden: zeil vieren tot de telltales goed staan of je koers veranderen. In dat geval stuur je meer naar de richting toe waar de wind vandaan komt (oploeven).
3. Foute telltale stand. De telltale aan de lijzijde van het zeil staat horizontaal en de telltale aan loefzijde staat naar boven of wervelt. Nu moet je het zeil zover aanhalen, dat de loef telltale ook horizontaal staat. Je kunt ook van koers veranderen. In dit geval moet je van de richting waar de wind vandaan komt, sturen (afvallen).
4. Foute telltale stand. Als beide telltales niet horizontaal staan, dan zeil je op een te ruime koers met een foute zeilstand. Om beide telltales horizontaal te krijgen, moet je of je zeil vieren en teruggaan naar een halve-windse koers of uitstappen en je zeilwagen op gang duwen.

