U bevindt zich hier: Home Dit is Strandzeilen Van koers veranderen

Van koers veranderen

E-mailadres Afdrukken
Nu je weet hoe je met een zeilwagen vooruit komt, kun je proberen deze kennis
in praktijk te brengen.

Starten. Je wacht een dag af waarop er een goed windje staat, windkracht 3 of 4, dat is niet te hard en niet te weinig. Je duwt je zeilwagen d.m.v. de helmstok van de wind weg tot je de wind in het zeil voelt komen. Je haalt het zeil zover aan dat beide telltales horizontaal staan. Indien nodig, geef je de zeilwagen nog een duwtje, waarna je er snel inspringt en... je bent op weg. Het beste kan je starten met halve wind en in eerste instantie ben je bezig de zeilwagen op koers te houden. Voor sommigen is het best lastig om met de voeten te sturen, maar als je even onderweg bent, zal je ervaren hoe eenvoudig het is. Door subtiel je schoot aan te halen, win je snelheid. Vind je het te
hard gaan, dan laat je de schoot iets vieren. De schoot is het "gaspedaal" van je zeilwagen. Een goede strandzeiler weet altijd waar de wind vandaan komt. Op de tekeningen wordt de wind aangegeven door een open pijl. Oploeven en afvallen. Als je naar de richting waar de wind vandaan komt, toedraait, dan spreek je van oploeven. Je kunt oploeven van een voor-dewindse koers tot een in-de-windse koers. Bij oploeven moet je ook je zeil aanhalen. Elke koersverandering naar de wind toe noem je oploeven. Wanneer je van de richting waaruit de wind komt, wegdraait, dan val je af. Je kunt afvallen van een in-de-windse koers tot een voor-de-windse koers. Bij afvallen moet je je zeil laten vieren. Als je zeilt en je wijzigt je koers, dan val je af of je loeft op. Altijd!

Gijpen. Wanneer je zover afvalt, dat je op een voor-de-windse koers terecht komt en nog verder doordraait, dan zal het zeil van de ene naar de andere kant van de zeilwagen gaan. Dit heet gijpen. Wanneer je afvalt om te gijpen, moet je het zeil aanhalen. Als het zeil aan de andere kant van je zeilwagen is gekomen, moet je het weer zover vieren dat beide telltales horizontaal staan. Als je gijpt, moet je ervoor zorgen dat je de bocht groot genoeg neemt. Anders bestaat de kans dat je bij het oploeven na de gijp, gaat slippen of dat je op twee wielen gaat rijden. Je kan zelfs omslaan. Als je de gijp goed uitvoert, zal je geen snelheid verliezen. Slipgijp. Als je de bocht kort neemt, maak je een slipgijp. Een slipgijp maak je als je snel stoppen wil. Bij een slipgijp slip je door totdat je recht in de wind staat.

Klapgijp
. Als je de gijp uitvoert met een trage snelheid en je haalt het zeil niet genoeg in, dan bestaat de kans dat het zeil met een klap overkomt. Dit noem je een klapgijp. Als de klapgijp bij veel wind plaatsvindt, is de kans op schade groot en bestaat zelfs de mogelijkheid dat je omslaat.

Afkruisen. Ruime-windse koersen zijn erg mooi en soms zeer snel, maar het is erg moeilijk om op die koers snelheid te winnen of te behouden. Als je naar een punt wil zeilen dat beneden de wind ligt, zal de kortste weg via een voordewindse koers zijn. Deze koers is niet de snelste. Om zo snel mogelijk bij dat benedenwindse punt te komen, ga je afkruisen. Af- kruisen is met een ruime koers zeilen en telkens gijpen. Het is noodzakelijk om tijdens het afkruisen voldoende snelheid te hebben. Snelheid kan je opbouwen door eerst een halve-windse koers te zeilen en daarna af te vallen tot een ruime koers. Deze koers houd je zo lang mogelijk vast tot je weer moet gijpen. In dit geval hoef je niets aan je zeilstand te doen, maar door middel van je voetenstuur kan je je snelheid regelen. Blijf je telltales in de gaten houden. Zeil je terwijl je een
ruime-windse koers zeilt, door een zwin of zacht zand, dan zal de snelheid afnemen en moet je weer terug naar de halve-windse koers om snelheid te maken. Je kan ook proberen je zeil iets te vieren.

Overstag gaan. Als je naar een plaats gaat in de wind, dan kan je daar niet rechtstreeks naar toe. De enige manier is om aan de wind te gaan zeilen en telkens overstag te gaan. Overstag gaan is van koers veranderen naar de richting waar de wind vandaan komt. Op het moment dat je recht in de wind zeilt, val je af tot je weer aan de wind zeilt en de telltales horizontaal staan. Het zeil is van de ene kant naar de andere kant van de zeilwagen gegaan. Maak als je overstag gaat de bochten zo kort mogelijk. Telkens als je overstag gaat, ga je door de wind en verlies je snelheid. Zorg er dus voor dat het
moment wanneer de wind recht op de zeilwagen staat, zo kort mogelijk is. Stoppen. Als je wilt stoppen, dan laat je de schoot los en loef je op totdat je in de wind stil staat. Probeer nooit met je voeten te remmen. Bedenk dat wanneer je je voeten van het stuur haalt, de zeilwagen onbestuurbaar is. Beter is het dan om de handrem te gebruiken.
 

Foto Impressie

Dit is strandzeilen!